Erfenis van mijn vader

Joost Overzee

Op gezette tijden wordt de begrijpelijke vraag gesteld, dit keer kwam hij van Randy, vorige week nog: “Wil je niet eens een motor waarmee je makkelijker afstanden aflegt?”, vroeg hij, terwijl ik net weer een enkeltje Almere-Zaltbommel op de TW125 achter de kiezen had.

Een typische insidersvraag die het qua populariteit altijd moet afleggen tegen de vraag van minder ingewijde personen: “Wat voor motor rijd je zelf?”, waarop ik altijd luchtigjes mijn eigen voorraad ouwe meuk opsom. Nee, generen doe ik me er niet voor, integendeel: als Ronald van Ducati Zaltbommel me op de TW ziet aankomen in full leren raceoutfit en verzucht: “Jij schaamt je ook echt helemaal nergens voor…”, dan warm ik me juist aan zo’n groot compliment.

Natuurlijk schuilt er een flinke portie tegendraadsheid in de diepe liefde voor mijn 24 jaar oude vehikel dat nog geen worst van tafel trekt. Maar ik voel me ook echt weer heerlijk thuis als ik na tien dagen Diavel V4 weer die lichte luchtgekoelde plof uit de pijp hoor en me vastklamp aan het roestige stuur met afgebroken remhendel. Want motorrijden is geen vanzelfsprekendheid; zonder improvisatie en vooral fysieke en mentale inzet heeft motorrijden voor mij weinig inhoud, in de privésfeer tenminste.

Het is allemaal de schuld van mijn vader. De verhalen over zijn motorische escapades die mijn begerige kinderoortjes tot zich namen, zijn voor de rest van mijn leven als een religie (de enige) in mijn geest gebrand. Verder zal ik altijd gebukt blijven gaan onder zijn krenterigheid om nieuw gereedschap te kopen en fietsreparaties te láten uitvoeren. Heb zelfs moeite om de erfenis van oude, versleten tangen, sleutels en jampotjes met al eens gebruikte schroeven eindelijk eens weg te mieteren.

Ik beschouw dan ook mijn hang naar motorisch primitivisme op de TW125 als een loffelijk vervolg op zijn vroegere vakanties op lichte scooters en motorfietsen; veel anders was in de wederopbouw na de oorlog natuurlijk niet voorradig. Grenzeloze bewondering heb ik voor zijn kampeervakantie in de vroeg jaren vijftig op een Puch 150 TL eencilinder met 7 pk naar de nog nauwelijks bestrate Franse Alpen, nota bene met zijn 90 kilo zware kameraad Tjerk uit Geldrop achterop. Of zijn huwelijksreis met mijn moeder op zijn favoriete Dürkopp Diana scooter, helemaal naar het verre Oostenrijk. Als ik een paar dagen geleden lees dat jongeren massaal luxe campers kopen, voel ik het Einde der Dagen in mijn slokdarm opborrelen.

Erfenis van mijn vader Overzee

Mijn diepe voorliefde voor primitief avontuur heeft zich de laatste tijd verlegd naar de truckers-scene van weleer, toen vrije jongens in rudimentaire vrachtwagens – uiteraard zonder airco, soms zelfs geen slaapplaats – de toentertijd ronduit gewaagde expedities naar het Midden-Oosten ondernamen. Levensgevaarlijke ondernemingen zonder rijtijdenbesluit of navigatie over gebombardeerde wegen en door woestijnen met dagen wachttijd voor corrupte douaniers om een lullige lading af te leveren in Iran en Saoedi-Arabië.

Als kind keek ik in de jaren zeventig al mijn ogen uit naar hoe mijn favoriete Franse vrachtwagens hun gestaalde mechaniek uitputten om letterlijk stapvoets en zwarte rook uitbrakend een bergpas te beklimmen, zelfs de toen nog ontzagwekkende Baraque de Fraiture. Het verkeerstempo was in de jaren 70 ook veel overzichtelijker met 50 pk voor een VW Kever als gemiddelde standaard, de burgerauto waar een voltallig modelgezin in paste en dat, gewapend met een compleet kampeerarsenaal, doodleuk naar de Dordogne toog met nog een Travelsleeper aan de trekhaak. En bij iedere tussenstop de grijze loodkleur aan de binnenkant van de uitlaatpijp inspecteren, als bewijs van een keurige motorische verbranding. In de brandende Franse vakantiezon zonder weeralarmen of klimaatpaniek, had sowieso de helft van de geparkeerde auto’s de motorkap openstaan ter verkoeling van het motorblok. Of erger.

Wees gerust: toch zit er een gezonde rem op nostalgie en het romantiseren van wat feitelijk niets anders was dan puur afzien. Wil liever niet zo’n ouwe zure zeikerd worden. Gelukkig kan ik nog altijd in extase raken van zoiets als een Kawasaki Z H2 SE en opgewonden raken van recordtijden op de openbare weg. Maar stiekem ben ik nog altijd razend benieuwd naar de prestaties van een MT-03 met een eerlijke 321cc tweecilinder. Maar kopen? Bovendien is Zaltbommel op de TW125 hooguit 10 minuten langer rijden.

Joost Overzee

Deel

Gerelateerde artikels

KicXstart GP Special 2024

Licht uit, GP Special aan!

Het GP-seizoen staat op punt van beginnen en wil je tot in de puntjes voorbereid aan de start staan dan is dit 148 pagina’s dikke

Boxerpower Paint Protection Film

Boxerpower Paint Protection Film

Het is de bedoeling om de R 1300 GS duurtestmotor van zusterblad Motorrijder er zo lang mogelijk zo goed mogelijk te laten uitzien, vandaar dat